Krachteloos... en toch niet hopeloos
"Want in ons is geen kracht... maar onze ogen zijn op U!" (2 Kron.20:12)
'Geen God...... geen meester!'
Zo klinkt de stem van de revolutie.
Is dat voor het eerst gehoord in de zogenaamde eeuw van de 'verlichting'? Welnee, daarvoor moeten we veel eerder in de geschiedenis terug, namelijk naar het allereerste begin, de zondeval waarin het gehele menselijke geslacht in Adam, ons aller bondshoofd, is gevallen. `Geen God.... geen meester'. Ook dit klopt niet, want het gaat veel dieper, zèlf als God willen zijn, zelf uitmaken wat goed en kwaad is.
Uit dit levensbeginsel leeft elk mens in zonde ontvangen en geboren. Al zijn we geboren uit een godzalig geslacht, en opgegroeid in een christelijke omgeving, tussen stapels Bijbels en oude schrijvers. De mens van God losgeslagen wil zichzelf zijn, de onafhankelijke, de in zichzelf alle krachten bezittende mens om uit en boven alle rampen en catastrofen uit te komen. Afhankelijkheid? ...... foei, weg er mee. Hoe durf je zo te denken van de supermens van onze dagen. Eén beginsel ... mijn 'ik' is mijn god. Lezer, hebt u deze toon en levenshouding in uzelf al waargenomen? Nee? Dan leeft u een onwaarachtig leven. Dan leeft u of jij bij de schijn van de dingen. Dan zijn we te benoemen als een zeer oppervlakkig mens die misschien wel mooi kan praten over onwil en onmacht, maar nooit met pijn in het hart uw toevlucht gezocht hebt tot Christus als een zondaar voor God. Zoek geen eigenzinnige uitvluchten door te zeggen: maar, zondaar voor God worden is Gods werk', want deze ontzaglijke waarheid is geen waarheid voor u. Als u de vraag zou stellen: Maar wie wil het in zijn leven toestemmen dat de stem van de revolutie en opstand ook waargenomen wordt in eigen leven? dan geef ik u als antwoord: In het leven van die mens, die man, die vrouw, die jongen,
dat meisje waarin Christus intrede doet door Zijn Woord en Geest. Zij, die de liefelijke, tegelijk de ontzettende roepstem hoorden: 'Adam, waar zijt gij?' Uit het Profetische onderwijs vanuit Christus, waarin Hij de Godskennis en mensenkennis openbaart, leren we Hem en onszelf kennen.
Met diepe schaamte leren we dan afhankelijk te zijn van de troon van Gods genade, om daar in waarheid te belijden: '0, God als U er niet aan te pas gekomen was, ik zou het eeuwig buiten en zonder U gesteld hebben.' De tollenaar stond van verre en klopte zich op de borst, roepende: '0, God wees mij de zondaar genadig.' Niet uit medelijden met jezelf, maar uit het Geestelijk besef door de innerlijke werking van de Heilige Geest: 'Ik heb tegen U, o HEERE, zwaar en menigmaal misdreven, geleefd alsof het waar was: geen God, geen meester.
Maar nu is de begeerte levend gemaakt om niets anders meer, dan in tijd en eeuwigheid de zalige afhankelijkheid aan de Heere te beleven. Dan is er geen groter goed, dat Gij mij klein en nederig doet. Toch merkt de levend gemaakte 'christen', naast de hartelijke begeerte om in afhankelijkheid van en in aanhankelijkheid aan Christus te leven, een sterke onwil daartegen in zichzelf. Deze onwil wint het nog zo vaak van de afhankelijkheidsbegeerte. Zo komt het, dat ook een levend gemaakte ziel tijden kent waarin de hemel niet verkwikt en de hel niet verschrikt. Zo gelaten, zo gewoon, zo in-valse-rust de dagen doorbrengende. Maar Christus in Zijn Profetische, Priesterlijke, Koninklijke regering denkt wegen uit, om hem of haar uit de vruchteloze gesteldheid uit te trekken en te laten beleven het diepe ongeluk buiten Hem.
De godvrezende koning Josafat wordt de jobstijding gebracht: "...de kinderen Moabs en de kinderen Ammons en met hen anderen, komen tegen u op ten strijde!" Wat zal Josafat nu beginnen? We zouden van een vorst en koning verwachten dat hij zijn legers gaat mobiliseren, dat ligt voor de hand.
Toch doet hij dat niet. Hij zendt wel boden onder zijn volk uit, maar met de opdracht zich te verzamelen in de voorhoven des Heeren tot boete en gebed. En wanneer het volk van Juda is vergaderd in Gods huis, dan_ buigt de koning zich met het volk
voor Gods aangezicht met een hartroerend gebed, een gekregen gebed, een gewerkt gebed, waarin het niet gaat om de belangen van Juda, en niet om de belangen van Josafat of van het.volk, maar waarin het enkel en alleen gaat om de Heere. Zijn Naam, Zijn Hand, Zijn Volk, Zijn Huis, Zijn eer, dit alles staat op het spel. Want de revolutiedenkers gaat het om de onedele gedachten en bedoeling, alle gedachtenis aan God de Heere uit te roeien, en voorgoed uit te wissen.
Het lijken onze dagen wel in 2005... 'geen God, geen meester,' onder het volk en tot in de regering toe.
Waar kan de Heere op rekenen? Op niets! In ons is geen kracht en wij weten niet wat wij doen zullen. HEERE, U hebt aan ons, krachteloze weet-nieten, niets. Wat heeft de wereld aan zulke mensen? Zij heeft krachtmensen nodig en lui die weten wat ze willen. Inderdaad de wereld heeft aan dit volk niets.
En toch ... Gods hart en Handen gaan uit tot dit volk, een afhankelijk volk is het volk naar Zijn hart. Dit is Zijn werk in hen. Zalig, zalig niets te wezen in het eigen oog voor God. Als ik zwak ben, vermag ik alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft. Zijn kracht wordt in mijn zwakheid volbracht. Dit is de gewerkte zaligheid, afhankelijk te mogen zijn van een volkomen Zaligmaker, meer nog ... onze ogen zijn op U!
Dat is een gezegend werk `op de HEERE wachten!' Niets voor het vlees en de revolutiegeest. Zaligheid voor de mens wiens verwachting op de HEERE is, want Hij heeft gezegd: `Ik zal voor u strijden, en gij zult stille zijn.'
'Als ik, omringd door tegenspoed, bezwijken moet, schenkt Gij mij leven. Is het dat mijn vijands gramschap brandt, Uw rechterhand zal redding geven.' Ds. C. Gielen, Middelharnis 13-09-2005