“Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.” (Ps. 16:10)xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" />
Pasen is vreugde. Althans als Pasen voor ons méér betekent, dan alleen maar die twee dagen op de kerkelijke kalender zo vlak na Goede Vrijdag. “De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien” (Luc. 24:34), zo spreken de discipelen tot die twee uit hun midden die die dag teleurgesteld naar Emmaüs waren afgereisd. Noch voordat deze beide discipelen zelf melding kunnen maken van dat alles wat hun hart zó brandende heeft gemaakt, dat zij die heuglijke tijding van de opstanding van de Heere Jezus Christus niet voor zichzelf konden houden, maar aan hun medediscipelen wel moesten gaan aanzeggen, klinken deze woorden in hun oren.
Die woorden “de Heere is waarlijk opgestaan” hebben niet maar louter betrekking op het heilsfeit zelf. Zij willen niet maar louter uitspreken, dat de Heere Jezus Christus de dood heeft overwonnen. Met deze woorden wordt méér dan dat gezegd. Met deze woorden wordt uitgesproken, dat hèn het leven wordt ontsloten: geestelijk leven en daarmee eeuwig leven!
Ps. 16 spreekt diezelfde geestelijke vreugde uit, die vreugde kan zijn, omdat er in dit heilsfeit iets ligt, dat zulk een wonderlijke zekerheid bevat, dat het een vergezicht ontsluit over ons eigen sterven en over onze eigen groeve der vertering heen. Dat is niet iets zekers dat in David verankerd ligt, maar dat in de HEERE Zelf is gelegen: “… omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen”. Niet maar een aardse erfenis is hem te beurt gevallen, maar zulk een erfenis is hem van Godswege toegemeten, dat het deel van zijn erve niets en niemand minder is dan God Zelf: “De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot”. Elke aardse erfenis, met aardse maatstaven toegemeten, vergezeld ons hoogstens tot het uur van ons verscheiden. Deze erfenis met een hemels meetsnoer van God Zelf toegemeten, wordt niet verloren in het uur van het sterven. Bij het toemeten van deze erfenis is de HEERE voorwaar naar het getuigenis van David niet karig geweest: ‘een liefelijk plaats’, ‘een liefelijk oord’, een voorwaar ‘schone erfenis’, zo duidt David het aan. De HEERE te hebben tot ons deel. Hoe kan dat? Hoe kan dat waar worden, wat in de onbevattelijke, ons verstand zo eindeloos overstijgende woorden wordt uitgedrukt: “Want deze God is onze God; Hij is ons deel, ons zalig lot, Door tijd noch eeuwigheid te scheiden; …” (Ps. 48:6 ber.). Ligt het antwoord niet daarin, dat dat mogelijk is, omdat Gods eigen Kind, Zijn eniggeboren Zoon, buiten de gemeenschap met Zijn Vader werd gesloten toen de volle toorn van God de Vader over de zonde op Hem rustte, opdat een ellendeling, die verdiend heeft eeuwig buiten die gemeenschap met God gesloten te worden, daarin teruggebracht zou worden en dat de HEERE Zichzelf in de Heere Jezus Christus als dat Deel, als die Erfenis ons wil toemeten dan en daar, waar Hij ons hart zo verbrijzeld, dat wij er niet meer onderuit kunnen en willen, dat wij onszelf Gods ongenoegen op de hals hebben gehaald en het Hem behaagt, die hemelhoge schuld van ons aan Zijn eigen Kind te straffen. Dan draagt Gods eigen Kind aan het kruis heel persoonlijk onze straf, die voor ons een eeuwig rampzalig buitengesloten worden zou betekenen. En waar Hij opstaat, ontsluit Hij met Zijn opstanding ons het leven in de volle zin van het woord: die volle gemeenschap met God (hoezeer die ook zo heel dikwijls door de zonde die nog in ons overblijft, verduisterd wordt), maar ook de overwinning van dood en graf. Niet een zaligheid naar de ziel alleen (hoe groot ook!), maar een volkomen zaligheid: ook het lichaam zal in onverderfelijkheid worden opgewekt; ook wat het lichaam (waarover het oordeel is uitgesproken: “stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren”) betreft, is de dood van zijn kracht beroofd door de opstanding van de Heere Jezus Christus. “Gij”, zo mag David het uitspreken, “zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw heilige de verderving zie”. In dit verband wordt met het woordje ‘hel’ de onverzadigbaarheid van de dood en het graf aangeduid, dat nooit zegt “het is genoeg”(vergelijk ook de kanttekening hier ter plaatse) en met ‘verderving’ wordt aangeduid, die hoedanigheid van dood en graf, dat het alles verteerd: Wie redt immers zijn ziel van het graf? Niemand toch!
Maar het gaat in deze woorden toch om de opstanding van Gods eigen Zoon, de Heere Jezus Christus? David spreekt hier toch profetisch van het heilsfeit van Pasen? Jazeker! Zowel een Petrus (Hand. 2:30 en 31) als een Paulus (Hand. 13:34) geven aan, dat deze woorden hun vervulling hebben gekregen in de opstanding van de Heere Jezus Christus. Inderdaad zoals deze woorden hun vervulling hebben gekregen in het heilsfeit van het geopende graf, zo hebben ze nog niet hun vervulling gekregen voor een David. En toch: Omdat deze woorden werkelijkheid geworden zijn in de opstanding van de Heere Jezus Christus, zúllen ze ook werkelijkheid worden voor allen, die door het lijden en sterven van Gods eigen Kind de HEERE tot hun Deel kregen. Is Hij niet de ‘Eerstgeborene uit de doden’? Daarom een vreugde, waar de wereld niet vanaf weet: “Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugd zich; ook zal mijn vlees (ja mijn vlees!) zeker wonen”. In het graf zeker wonen? Ja zeker. Daar in de hof van Jozef was immers een open graf. Niet geopend door angstige discipelen, maar geopend door Hem, Die zo volkomen de schuld vereffende, dat de prijs tot de laatste cent betaald werd. Daarom een vreugde, een voorsmaak van de eeuwige vreugde: “De Heere is waarlijk opgestaan”.
Kand. xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />G.J. Blankers