Meditatie
Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven. Psalm 63: 4a
Waarschijnlijk heeft David Psalm 63 gebeden tot zijn God toen zijn zoon Absalom tegen hem was opgestaan. Toen hij moest vluchten voor zijn kind en terecht gekomen was in een land dor en mat, zonder water. In die hete woestijn, waar hij zijn brandende dorst niet kon lessen en de bodem onder zijn voeten gloeide, sprak alles van de dood. Er groeide en bloeide geen enkel leven, er stroomde geen beekje met verfrissend water om zijn dorst te lessen, schaduw vond hij er niet. Zijn hele omgeving, samen met het gevaar dat hem bedreigde, deze dingen maakten hem niet wanhopig. Dat kwam omdat er wat anders was, dat zijn gedachten vervulde. Boven al het tijdelijke en vergankelijke verlangde hij er naar om te mogen genieten van Gods trouw en goedheid. Met al de vezels van zijn bestaan heeft hij daarnaar gehunkerd, omdat voor hem Gods goedertierenheid beter is dan het leven. Al is het leven nog zo'n rijk bezit, ver daar boven uit steekt de gunst van God. En die gunst kent hij. Die heeft hij in het heiligdom aanschouwd. Daar zag hij Gods sterkheid en eer. Met Gods goedertierenheid wordt hier niet Gods algemene goedheid bedoeld, waarmee Hij allen zegent, zowel goeden als bozen, rechtvaardigen en onrechtvaardigen. God doet aan alle schepselen wel, maar Zijn goedertierenheid schittert het heerlijkst in Zijn opzoekende liefde, die Hij in Christus betoont, in het hartvernieuwende werk van de Heilige Geest, waardoor zondaren komen tot de kennis van Zijn Naam. Van die goedertierenheid zingt de dichter dat ze beter is dan het leven. Het leven schijnt heel wat te beloven, maar het stelt ons te leur. Het geeft ons veel goeds, waar we dankbaar voor mogen zijn, maar het geeft ook moeiten, zorgen en verdriet. Het leven, zelfs op zijn schoonst en rijkst, is niet in staat om onze diepste behoeften te bevredigen. Je kunt een leven leven waar iedereen jaloers op kan zijn en toch kan je hart onvoldaan blijven, ondanks alle weelde en genot. Wat baat het een mens als hij de gehele wereld gewint en hij moet God er in missen? Want het leven is kort van duur, het is betrekkelijk en eindig. Maar de goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen die Hem vrezen. Ons leven wordt pas goed als Gods goedertierenheid er in mee komt, want daarin schenkt de Heere Zichzelf aan je weg. En met minder kunnen we niet toe, ook niet na ontvangen genade. Daar moeten we het telkens en telkens weer van hebben. Wanneer de Heere in het recht zou treden en onze ongerechtigheden gadeslaan, wie zal dan bestaan? Als de Heere ons te sterk is geworden en we de Heere Jezus mogen kennen door het waarachtig geloof kan niets en niemand ons nog scheiden van de liefde Gods welke daar is in Christus Jezus onze Heere. Maar wat kunnen onze zonden het zicht op Gods genade wegnemen. Dan verlangen we opnieuw naar de tijding uit Gods mond dat al onze ongerechtigheden omwille van het bloed van Christus vergeven zijn. Dat wil je blijven horen, zeker wel als je ziet wat je er van terecht hebt gebracht. Al jong had David de Heere lief gekregen en wist hij van de vergevende genade van zijn God, maar wat had hij het verprutst, niet eens maar telkens weer. En wat kunnen wij de Heere anders aanbieden dan onze zonden en schuld, en laten we dat dan ook maar doen, want we zullen nooit méér worden dan een arme zondaar, die het nodig heeft om bediend te worden uit de volheid van Gods genade alleen. Daar moeten wij het van hebben. Dat is het geheim waar het geloof uit leeft. Het kan niet zonder de goedertierenheid van God. En nu heeft de Heere Zich aan Zijn volk verplicht om hun God te zijn en om voor hen te zorgen. Dat heeft Hij met Zijn ganse hart gedaan, dat heeft Hij in liefde gedaan. Die goedheid heeft Hij telkens weer laten blijken. Keer op keer heeft Hij David gered en gezegend. En zal Hij dat nu dan niet doen? Als David hier zegt: Uw goedertierenheid is beter dan het leven, bedoelt hij daarmee ook te zeggen: Heere, daar doe ik ook een beroep op, op Uw liefde en op Uw trouw. Gedenk mij dan naar de rijkdom van Uw barmhartigheden. Want die zijn vele. Wat is deze man doordrongen van de liefde en de ontferming van zijn God en dat terwijl hij nog leeft in de oude bedeling. Wij mogen er veel meer van weten. Want die goedertierenheid van God is immers ten volle geopenbaard in Christus. Nergens wordt het ons heerlijker getoond dat God groot van goedertierenheid is dan op Golgotha. Nergens blijkt meer dat Zijn liefde van eeuwigheid is dan juist daar. En daar moeten wij arme zondaren het nu juist van hebben. Daar wil de Heere ons op wijzen, daar wil Hij ons hebben. Wat is dat een wonder dat dat kan en mag. We hoeven niet om te komen in onze verlorenheid, we hoeven niet te vergaan van de honger en de dorst, want er is een fontein van levend water geopend in de wonden van Christus. Hij is de Bron van het leven en van onze zaligheid. Laten we dan tot Hem uitgaan, laten we dan leven uit die bron. Opdat we door Zijn gunst verzadiging van vreugde bij Hem vinden. U hoeft de schuld van uw zonden niet op te kroppen, er is bij de Heere vergeving in Christus, het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegdraagt. Het heeft Hem alles gekost om de schuld ervan te betalen. Als we op onze zonden zien, blijven we nergens meer, dan moeten we vergaan in onze smart en rouw. Maar zie op Hem, Die ons van God geschonken is tot rechtvaardigmaking, heiligmaking en een volkomen verlossing. Hij is een verzoening voor al onze zonden. In Hem wordt Gods goedertierenheid volle werkelijkheid over ons leven. Het kan nooit zonder Hem, maar het wordt waar, volkomen waar, door en in en met Hem.
ds. J.C. den Toom