"O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!" (Ps. 6:2)
Daar is zonde als een ontzagwekkende breuk tussen de Heere en ons. David kan zich aan die werkelijkheid niet meer onttrekken. Het komt op hem toe. Het grijpt hem aan. Het vermorzelt hem. "Ik ben verzwakt", zegt hij in vs. 3. "Mijn beenderen zijn verschrikt", klaagt hij vervolgens uit. "Er is niets geheels in mijn vlees vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde", komt over zijn lippen in Ps. 38:4.
Er is een zogenaamd spreken over zonde, over verdorvenheid en over schuld, waarbij wij onszelf blijven, ons gewone leven kunnen blijven voortleven. De ernst van de breuk in het Paradijs erkennen wij met de lippen, maar we keren ons om en leven ons aardse, op onszelf gerichte leven. Werkelijke verlegenheid om genade te ontvangen is er niet. Aan de Zaligmaker, Die spreekt: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven", gaan wij voorbij.
Er is ook een ander spreken over zonde, waar wij ons niet meer kunnen onttrekken aan de ontzagwekkende werkelijkheid met de Heere gebroken te hebben. Voor het oog van onze ziel doemen de contouren op van een innerlijke verdorvenheid in het binnenste van ons die zijn weerga niet kent. Een hart als een duistere spelonk, dragen wij om, waar nu juist die dingen waar de Heere van gruwt, als meest begerenswaardige zaken worden nagejaagd. Een hart is daar in ons binnenste, dat daarbij met het grootste gemak keer op keer de werkelijkheid van Gods toorn van zich afschoof, omdat die boze begeerten met alle geweld verzadigd wilden worden.
Dat doet de vreugde in alles wat de wereld te bieden heeft, vergaan. Het vermorzelt ons; het grijpt ons bij de keel; het dreigt ons te versmoren. Nee, het is toch anders! De Heere Zelf vermorzelt, grijpt ons aan en laat niet los. Het is Zijn Goddelijke, Zijn majesteitelijke en Zijn heilige hand, die dat alles doet. Niet het oppervlakkige "God is voor ons". Nee, David weet het op een onweerspreekbare wijze: God is tegen mij! Ook dat andere weet hij: De Heere is met recht mij tegen!
Wanneer David nu de woorden uitspreekt "O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid", bedoelt hij daarmee niet te zeggen, dat de toorn van de HEERE onrechtmatig zou zijn. Ook bedoelt hij daar niet mee te zeggen, dat de toorn van de HEERE onrechtmatig groot zou zijn. Wanneer de Heere voor de eerste maal in ons leven de gruwelijkheid van de verdorvenheid van ons hart laat zien en alles wat daaruit is voortgekomen, maar ook nadat Hij uit onverdiende goedheid genade bewees, keer op keer opnieuw dat laat zien, weerspreken wij niet, dat wij ons Zijn eeuwig ongenoegen op de hals hebben gehaald.
Toch tegelijk, wanneer nu de rechtvaardigheid van Gods toorn op ons drukt, wanneer Hij komt als een Wreker van onze ongerechtigheid, moet dat gebed uit ons binnenste wel opklimmen. Straf, ja eeuwige straf, is verdiend. Jazeker! Ik ontken het niet; sterker nog: ik bevestig het van ganser harte. Toornig hebben wij, ja heeft die zondaar of die zondares, die ik ben, de Heere gemaakt. Zeker waar! Het kan echter niet weerhouden te bidden: "O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid". Daar staat die tollenaar. Hoort hij in het heiligdom van de Heere? Past hij daar? Ach, welnee! Daar is geen onheiliger en rampzaliger schepsel te vinden, dan hij is. Dat weet hij ook. Dat ontkent hij niet. Echter hij kan er niet vandaan blijven.
Dat is het geheim. Hij, de Heere, verbrijzelt; Hij openbaart Zijn toorn; Hij doet dat echter niet om bij Hem vandaan te drijven in wanhopigheid en radeloosheid, ons daaraan prijsgevend. Diezelfde hand, die verbrijzeld heeft, brengt naderbij, trekt tot Hem. Diezelfde hand, die vermorzelde, raapt op en werpt niet weg.
Wie is Hij dan? "Maar Gij, Heere, zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid" (Ps. 86:15). "Die al uw ongerechtigheid vergeeft, Die al uw krankheden geneest; Die uw leven verlost van het verderf, Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden" (Ps. 103:3 en 4). Daaróver kunnen wij spreken ten diepste zonder dat het ons raakt. Er is voor ons dan niets wonderlijks is. Zo kan het zijn, het kan echter ook anders zijn, en ook anders worden.
"De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen", zo spreekt David uit in vs. 10. Dat smeekgebed komt hoger dan het plafond, dat stijgt op ten hemel, dat komt voor de troon Gods tot daar, waar de grote Hogepriester als de grote Voorspraak aan de rechterhand van Zijn hemelse Vader zit. "Vader, inderdaad, deze zondaar, deze zondares, heeft zich in elk opzicht Uw gramschap waard gemaakt, maar Vader zie toch hem, zie toch haar aan op grond van dat bloed, dat Ik stortte op Golgotha aan het vloekhout der schande." Hij, Die even heilige is als Zijn Vader, bidt. Hij, Die op dezelfde wijze als Zijn Vader van de zonde gruwt, doet voorspraak. Zijn gebed wordt verhoord en daarom wordt deze smeking gehoord en dit gebed aangenomen. Daar hangt Hij aan het kruis en zijn het mijn zonden die daar een scheiding aanbrengen tussen Zijn Vader en dit eigen Kind des Vaders; zijn het mijn zonden, die op Hem die volle toorn van Zijn Vader brengen. Daar krijgt Hij, Die dan mijn straf ten einde toe droeg, juist daar aan het kruis gestalte en heerlijkheid. "Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. (…) Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons" (Ps. 103:10vv).
Bruchem, Kand. G.J. Blankers
Om de vorige meditaties na te lezen klik hier.