Spurgeon
J.l. 4 april 2005 heeft de Mannenvereniging “Daniël” uit Middelharnis/Sommelsdijk een avond georganiseerd voor de Eilandelijke Hersteld Hervormde Mannenverenigingen van Goeree Overflakkee. Hier was een beeld/geluid presentatie van Dhr. Joh. Kieviet over het leven van Charles Haddon Spurgeon.
Ds. Gielen had een meditatie over de bekeering van Charles Haddon Spurgeon, die u hieronder kan lezen.
Zingen: Psalm 48:4 Lezen: Jesaja 45:20-25
Als we vanavond beginnen met iets van de bekering van Spurgeon te overdenken, dan doen we dat zoals hij dat zelf heeft gewild.
Hij schrijft: ik heb mensen het verhaal van hun bekering en geestelijk leven horen vertellen op zo’n manier dat ik in mijn hart zowel een afschuw van henzelf alsook van hun verhaal kreeg.
Ze vertelden over hun zonden alsof ze zich over de grootheid van hun misdaden beroemden. Zij spraken over de liefde van God zonder een traan van dankbaarheid, zonder de eenvoudige dankzegging van een waarlijk nederig hart.
Ze verheerlijkten zichzelf evenzeer als God.
Kunt u zich die dag, die dag der dagen, niet meer herinneren, dat beste en heerlijkste uur, waarin u voor het eerst de Heere zag, uw last kwijtraakte, de belofte ontving, u verheugde in de volle zaligheid en uw weg voortging in vrede?
Mijn ziel zal die dag nooit vergeten.
Terwijl ik in nood verkeerde, stervend, maar verre van de dood, ellendig, in pijn, geketend, geteisterd, in ijzeren banden gebonden, in duisternis en de schaduw van de dood, verscheen Jezus aan mij.
Mijn ogen zagen op Hem, de ziekte werd genezen, de pijn weggenomen, de boeien werden verbroken, de gevangenisdeuren gingen open, de duisternis maakte plaats voor licht.
Wat een vreugde vervulde mijn ziel, wat een blijdschap, wat een heerlijkheid, wat een geklank van muziek en lofgezangen.
Wat een verheffingen van de hemel, wat een hoogte en diepte van onuitsprekelijke vreugde.
Een bevrijde galeislaaf zou de dag van zijn bevrijding kunnen vergeten.
De moordenaar die de allerlaatste gratie verkreeg kan het moment dat de bijl van de beul vervangen werd door bevrijding, weer snel kwijt zijn.
De wanhopige zeeman die ternauwernood uit een gierende storm werd gered kan zich de toegestoken hand niet meer herinneren die reddend tot hem kwam.
Maar o, uur van vergeven zonde, moment van volmaakte vergiffenis, dit zal mijn ziel nooit vergeten, noch in de tijd, noch in de onsterfelijkheid.
Angst, wanhoop en smart met alle daarmede gepaard gaande ellende, vluchten haastig weg om plaats te maken voor grote blijdschap.
Charles Haddon Spurgeon.
Geboren in het jaar dat de Nederlandse kerken scheurden in de afscheiding 1834.
Vader was predikant in een klein plaatsje niet zo ver van Londen.
Hij was de oudste van 17 kinderen, van wie er 9 al op heel jeugdige leeftijd zijn gestorven.
Zo dichtbij was de dood, telkens weer en in deze mate, dit tekent iets van de ernstige gezinssituatie waarin Charles is opgegroeid.
Godvruchtig geslacht dat stond in de Puriteinse traditie.
Genade is geen erfgoed schrijft Spurgeon, maar toch de Heere schept er behagen in om te zegenen tot in het duizendste geslacht.
Er is een liefelijke gepastheid in de overgang van heilige trouw van grootvader op vader, en van vader op zoon.
Het is mij lief, te weten dat ik God mag dienen van mijn grootouders af, ik kan een terugblik werpen op 4 geslachten en zien dat het Gode behaagd heeft het gebed te verhoren van de vader van onze grootvader, die de Heere heeft gesmeekt dat zijn kinderen tot in het laatste geslacht voor Zijn Aangezicht mochten leven.
En de Heere heeft het huis nooit verlaten, het heeft Hem behaagd de een na de ander toe te brengen om Zijn Naam te vrezen en lief te hebben.
Toen Charles 18 maanden oud was ging hij naar zijn grootouders waar hij bleef tot zijn 7e levensjaar.
Grootvader was ook predikant.
Een opvallende gebeurtenis in zijn jeugd was het bezoek van een predikant in dienst van een Londens zendingsgenootschap, die drie dagen in het huis van grootvader bleef, gedurende die dagen sprak de predikant veel over de liefde van de Heere Jezus met de jonge Charles, en ging ook meerdere keren met de jeugdige knaap in gebed.
Het merkwaardige was echter dat vlak voordat hij vertrok de kleine jongen op zijn knieën nam en vervolgens de gedenkwaardige woorden uitsprak: dit kind zal eens het Evangelie verkondigen en hij zal dat doen tot grote scharen.
Woorden die Spurgeon bij gebleven zijn en die een stimulans voor hem vormden om in latere jaren inderdaad dat Evangelie te verkondigen.
Zijn vader John was een vroom man, onderlegd in de Schriften, een man van veel gebed, vaak hoorde Charles zijn vader bidden voor zijn kinderen.
Het zou bij de jonge Spurgeon een onuitwisbare indruk achterlaten.
Niet alleen van zijn vader maar ook van de kant van zijn moeder ontving hij veel.
Het was een vrouw met een diep besef van de ernst en het gewicht van de eeuwigheid.
De zaken van het geestelijke en eeuwige leven hadden een centrale plaats in het gezin.
Spurgeon schrijft, toen we nog klein waren bleef moeder op de zondagavond altijd bij ons en dan zaten wij rondom de tafel en lazen wij vers voor vers een hoofdstuk uit de Bijbel wat moeder dan voor ons verklaarde.
Als dit was afgelopen kwam het ogenblik van de gemoedelijke moederlijke toespraak een pleiten als het ware bij ons, er werd dan ook een stukje gelezen uit een van de puriteinen.
En ook daarover werden opmerkingen gemaakt, van toepassing op een ieder van ons.
En dan werd ons de vraag voor gelegd hoe lang het nog zou duren eer wij wilden nadenken over onze toestand, hoeveel tijd er nog voorbij zou gaan eer wij de Heere wilden zoeken.
En Spurgeon geeft dan weer wat zijn moeder bij die gelegenheden in het gebed voor God bracht.
En nu Heere indien mijn kinderen volharden in hun zonden, dan zullen ze niet in onwetendheid verloren gaan, en op de dag van het oordeel zal mijn ziel een snel getuigen tegen hen moeten zijn, zo zij Christus niet aangrijpen.
Dat verwonde het geweten van de jonge Charles en ontroerde zijn hart.
De gedachte dat mijn moeder direct tegen mij zou getuigen, sneed me door mijn ziel…
Nooit zal ik vergeten dat ze haar knieën boog en met haar armen om mijn nek bad: O, Heere dat mijn zoon mag leven voor U.
Zo waren de ouders van Spurgeon een lichtend voorbeeld, ze waakten met een heilige jaloersheid over hun kinderen en ook over hun Charles.
Later zal hij opmerken in een preek, dat vaders en moeders de meest natuurlijke werktuigen zijn in de hand van God voor de verlossing van hun kinderen.
In tussen was hij zijn leeftijdsgenoten ver vooruit, hij las alles wat maar binnen handbereik was, en als hij 15 jaar oud is gaat hij naar een school waar hij zijn onderwijzers in kennis ver de baas is.
Vervolgens wordt hij een soort kwekeling of hulponderwijzer in ruil waarvoor hij les krijgt in Grieks en Latijn en Filosofie.
Aan het begin van het jaar 1850 komt de doorbraak voor wat betreft zijn geestelijk leven.
Dat hij de kerkdiensten bezocht sprak gezien zijn opvoeding voor zich.
Hij was nogal eens kritisch ten aanzien van wat hij hoorde.
Daar hij als kind al enig zondebesef had, deed hem dat al vroeg zoeken naar de rust van zijn onsterfelijke ziel.
Gods wet greep hem aan in die geestelijke zin en betekenis, en hij onderging een langdurige boetestrijd, later merkt hij zelf op, dat deze periode 5 jaar had geduurd.
Hij zegt ook waarom.
Deze ellende overkwam mij ten einde mij te doen roepen tot Jezus.
Onze hemelse Vader doet ons gewoonlijk de Heiland niet zoeken, voordat hij ons zelf vertrouwen heeft ontledigd.
Hij zocht de vrede met God, maar hoe hij ook zocht, hij vond die niet.
Het was alsof hij aan de voet van de Sinaï zat, de Wet heeft hem gekweld en benauwd aan alle kanten.
Ze sloot mij op als in een ijzeren kooi, iedere weg ter ontkoming was mij versperd.
Hij was in de hand van iemand die streng was, maar niet de minste verlichting, nog ook maar een kruimel genade schonk.
Mozes kon dat ook niet, het Woord genade komt uit een andere mond.
Spurgeon had het gevoel dat hij was opgesloten in de cel van een ter dood veroordeelde.
Las hij in de Bijbel dan waren de dreigingen met Hoofdletters gedrukt.
De beloften waren voor hem onleesbaar.
Toen hij naar Christus begon te verlangen kwam plotseling de gedachte bij hem op, een gedachte die hij verafschuwde maar toch maar niet kwijt kon raken.
Dat er geen God was, en geen Christus, geen hemel, en geen hel.
Hij raakte los van de kust van de Openbaring, en het werd naar zijn eigen getuigenis een haastig gejaagd zeilen over de stormachtige zee van zijn gedachten.
Hij naderde tot de grens van het ijselijk gebied van het ongeloof.
De strijd die hij had te voeren werd nog verzwaard door het ontdekken van zijn eigen gerechtigheid.
Immers we kunnen ons met evenveel zekerheid verderven door de gerechtigheid van Christus tegen te staan, als door de Wet van God te overtreden.
Spurgeon heeft het ernstig en lang geprobeerd, om het zelf te klaren.
De zeilen van zijn levensschip moesten wel gerepareerd worden, hier en daar was ook wel een verfje nodig, maar al met al was zijn levensscheepje best zeewaardig.
Hij liep er helemaal mee vast.
Zijn beste daden waren zondig, zijn tranen van berouw moesten nog beweend worden, zelfs zijn gebeden hadden vergeving nodig.
En toen hij er dan naar stond om in Christus te geloven, en Zijn volbrachte werk te aanvaarden, niets te zijn en Christus alles te laten wezen.
Dat is toch de grondwet van het Koninkrijk.
Toen kon hij dat niet.
Hij kon niets doen, hij kon zich niet bekeren, hij kon niet geloven, hij bezweek van wanhoop en voelde dat hij verloren moest gaan in weerwil van het Evangelie, en dat Christus was gestorven.
En hij zocht de Levende bij de doden.
Maar de Heere maakte Zich bekend.
Op die gedenkwaardige zondag, 6 januari 1850.
Spurgeon getuigt: soms denk ik dat ik nog in duisternis en wanhoop zou zitten, als God in Zijn goedheid niet op een zondagochtend, terwijl ik naar een kerkdienst op weg was, een zware sneeuwstorm had gezonden.
Het belette hem door te gaan, hij kwam in een zijstraat terecht om toevlucht te zoeken in een nabij kerkje, een methodistenkapel waar ongeveer 12 tot 15 mensen bij elkaar waren.
De predikant die zou voor gaan was niet gekomen vanwege het weer.
Een lekeprediker ging voor, een heel magere man, waarschijnlijk een schoenmaker of kleermaker van beroep.
De tekst was uit Jesaja 45:22 ‘Wendt u naar Mij toe en wordt behouden alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer.’
In de engelse vertaling luidt deze tekst, zie op Mij en wordt behouden.
We laten Spurgeon zelf aan het woord.
Toen hij het voor elkaar gekregen had om ongeveer 10 minuten te spreken en aan het eind gekomen was van het lijntje wat hem aan de tekst bond, zag hij mij onder de galerij, en ik durf beweren met zo weinig aanwezigen dat hij wist dat ik een vreemdeling was.
En terwijl hij mij strak aankeek alsof hij wist wat er in mij omging, zei hij:
jongeman je ziet er ellendig uit.
Welnu, dat wist ik wel zegt Spurgeon, ik was er niet aan gewend om vanaf de preekstoel opmerkingen te horen over mijn persoonlijk voorkomen.
De pijl was echter goed gemikt, en trof doel.
De man ging door, je zult altijd ongelukkig blijven in het leven, en ongelukkig in de dood.
Indien je niet thans gehoorzaamt aan het gebod, vervat in mijn tekst.
Maar als je er nu in dit ogenblik gehoor aan geeft dan zul je behouden worden.
Toen hief hij zijn hand op en riep jongeman, zie op Christus, zie, zie, zie.
Je hebt niets anders te doen dan te zien en te leven.
Je hoeft je hand of je voet niet op te tillen, je hoeft niet universitair geschoold te zijn om te leren zien.
Zelfs al ben je de grootste dwaas die er bestaat, maar dan nog kun je zien, dat kan zelfs een kind.
Alleen er staat zie op Mij.
En ik heb gezien, ik keek tot ik bijna geen ogen meer had.
Ineens zag ik de weg der zaligheid, mijn geest zag haar boeien in stukken gebroken, ik voelde dat mijn ziel was bevrijd en dat ik een erfgenaam van de hemel was geworden.
Verlost van de wanhoop en de druk en de last van de zonde, en ik was in zo’n vreugdevolle toestand gebracht, dat toen ze mij thuis zagen, tegen mij zeiden: er is iets wonderlijks met jou gebeurd.
En maar al te graag vertelde ik hen alles wat geschied was.
De stroom vanuit Uw wonden
Die liefdevol verlost van zonden,
Is sinds ik door geloof U zag,
’t Refrein tot aan mijn laatste dag…
Zingen: Psalm 46:1-2