Kerkgebouw 1                                                                 Kerkgebouw 1
w
elkom op de website van de
Hersteld Hervomde Gemeente
Middelharnis - Sommelsdijk.





Een reiziger en zijn vraag

Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet Psalm 119: 1

Voor het oog een merkwaardige tekst. Iemand die zich op de aarde een vreemdeling voelt. Hoe is dat mogelijk? Ons leven speelt zich immers geheel op de aarde af. We worden op de aarde geboren, we leven er, gaan er op school, krijgen hier ons werk, zoeken hier onze contacten… Je zou veel eerder zeggen: “Ik voel me op aarde als een vis in het water.” Wat bedoelt de psalmdichter? Wat betreft zijn levensstijl leeft de dichter als reiziger. Hij heeft op aarde een woning, heeft hier zijn werk, heeft met die en gene contact, maar hier is zijn thuis niet. Hij is “reiziger”. Dat geldt ten diepste ook u en mij. Of we ons dit nu bewúst zijn of niet, we zijn reizigers. Je kunt een vliegtocht naar je vakantiebestemming bewúst meemaken, terwijl degene die naast je zit de hele reis slaapt en zich van de vlucht niets bewust is. Toch ben je beiden reizigers. Zo is het eveneens met ons gesteld. Wij reizen. Naar de eeuwigheid. Als we eerlijk zijn houden we er niet van om daar over na te denken. We gaan op in ons werk, in onze contacten... We houden de tentpinnen diep in de aarde en leven alsof we altijd op deze aarde zullen blijven. Dat doet echter aan de werkelijkheid niets af, we zijn reizigers. Wat een voorrecht als we in dat besef mogen (gaan) leven. Op onze levensreis komt de Heere ons tegen en zegt: ‘Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God, en niemand meer’. We zijn dus reizigers. Dat geldt de hele mensheid. De psalmdichter is het zich bewust. Hij noemt zichzelf een vreemdeling. Wanneer ben je vreemdeling? MacCheyne dicht: ‘Mijn Jezus geleidt mij…’ Dán ben je vreemdeling. Als je achter de grote Vreemdeling aangaat. Dé Vreemdeling. Hij kwam op deze aarde die van Hem vervreemd was. Een aarde die Hem uitstootte. Er was voor Hem geen plaats in de herberg. Hij zei: ‘De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge’. Volgens de godsdienstige Joden hoorde Hij bij het rijk van Beëlzebul, de overste der duivelen. Op Golgotha werd Hij verlaten van Zijn Vader, terwijl de schare riep: “Kruist Hem.” Jezus was Vreemdeling. Zijn levensstijl paste niet bij die van Zijn tijdgenoten. Want Hij was in Zijn leven geheel gericht op (de eer van) Zijn Vader. Zijn leven stond haaks op het leven van degenen die het bij deze aarde hielden. “Hij past niet bij ons. Hij moet weg.” Wat deed Hij vervolgens? Liet Hij de wereld voor wat die was? Liet Hij de mensen op aarde los? Nee! Tijdens Zijn leven op deze aarde deed Hij niet anders dan goed. En aan het eind van Zijn leven onderging Hij de helse smarten en het gemis van Zijn Vader. Plaatsvervangend. Opdat goddelozen, vijanden gerechtvaardigd zouden worden om niet. Dat was Zijn levensstijl. Zalig als we leerden schuilen bij Hem. Allen die achter dé Vreemdeling mogen aankomen worden zelf ook vreemdeling. Een geestelijke vreemdeling leeft in deze wereld, maar voelt zich hier ten diepste niet thuis. Het ware leven, lieven, loven is daar waar men Jezus ziet. Vergelijk het met een vakantieverblijf in een ander land. Je bent er, maar je ervaart: ik ben hier een vreemdeling. Het leven is anders, de cultuur is anders, de gebruiken zijn anders… Op een gegeven moment krijg je zelfs heimwee naar huis. De apostel schrijft van Gods kinderen in Hebreeën 11: ‘Zij hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren’ (vers 13). Waarom vreemdeling? Omdat de schellen van de ogen zijn gevallen. Het leek op de aarde zo prachtig. Het is echter allemaal schijn en vergankelijk. Daarentegen de Zaligmaker, Hij had voorheen geen gedaante noch heerlijkheid. Je zag niets in Hem. Zijn dienst leek je niet aantrekkelijk. Maar wat is het door genade anders geworden! U dan, die gelooft, is Hij dierbaar (1 Petrus 2: 7). Aardse schatten verbleken; hemelse schatten worden nu gewaardeerd. Dat gaat toch dwars tegen de tijd en de tijdgeest in! Levend in een wereld waarin terrorisme, genot, zedeloosheid enz. hoogtij vieren; waarin God en Zijn dienst op een zijspoor worden gezet. Je merkt het op je werk, op school, in winkels, in de politiek enz. Zonder dat je ook maar iets beter bent. Integendeel. Daarom stuwt de Heilige Geest juist naar Christus heen. De wereld heeft daar echter niets mee. Daarom belijdt Gods kind: ‘Ik ben een vreemdeling op de aarde’. Belijd u het mee? ‘…verberg Uw geboden voor mij niet’. Wordt de vreemdeling nu wettisch van inslag? De psalmdichter vraagt immers naar Gods geboden. Nee, dat is niet de bedoeling van zijn gebed. De dichter vraagt om een gids. In de wereld kan hij geen betrouwbare leiding vinden. Alles wat hem bij de hand wil nemen, leidt hem naar het verderf. Zichzelf vertrouwt hij niet. Zodat hij volledig op de Heere is aangewezen. U ook? Een vreemdeling die in het vreemde land op weg naar het Vaderland een gids nodig heeft? Hij leidt. Door middel van Zijn “geboden”. Daarmee bedoelt de psalmdichter Gods gehele Woord. “Heere, ik weet de weg niet. Ik weet niet welke kant ik op moet. Hoe moet ik in bepaalde omstandigheden handelen?” Zo zijn er tal van vragen. De Heere geeft richting middels Zijn Woord. Dé Vreemdeling, de Heere Jezus, onderzocht tijdens Zijn leven op aarde het Woord van Zijn Vader en was erin thuis. Zouden wij zonder kunnen? Dwazen in onszelf, wij hebben het Woord zo dringend nodig om onszelf te leren kennen, de tijdgeest te onderscheiden, de wereld in haar ware gedaante te zien, Christus in Zijn Middelaarswerk (meer en meer) te leren kennen. Het Woord wijst heen naar “het erfgoed hierboven, naar het Vaderlijk huis”. “Leg het Woord voor mij open, Heere, opdat ik mag weten welke weg ik heb te gaan.” Wat een voorrecht als je je mag laten leiden door het Woord.

‘Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast’ (Psalm 119: 67 ber.).

Middelharnis, L.M. Jongejan, v.d.m.

 

Om de vorige meditaties na te lezen klik hier.